Coronalessen deel X: laat de stad niet stikken

26799192188_fd9b23f424_o.pngzaterdag 18 april 2020 13:29

In moeilijke tijden is het belangrijk om uit de teleurstellingen van vandaag de lessen te trekken voor morgen. Hier is er één voor onze stadsplanning en -beleid: laat deze crisis niet het failliet van de stad inzetten, maar een hoogstnodige omslag naar meer en kwalitatieve groene ruimte voor haar bewoners.

Dit weekend was ik één van hen: de “coronawandelaars” die dezer dagen in lange stoeten langs bossen en boerenwegels trekken. Gisteren nog overtuigd bewoner van een appartement in de Gentse binnenstad, vandaag op zoek naar rust en leven in de groene rand. Ik had het mezelf niet gegeven, maar blijk in mijn omgeving niet alleen; in geen tijd wist deze quarantaine onze prioriteiten drastisch te hertekenen. Liever een tuin of terras dan de horeca om de hoek. Liever zicht op een beukenlaan dan op de binnenstad. Groen boven grijs.

Toch is dit meer dan een symptoom van verveling of escapisme. Het herinnert ons aan een vergeten maar nooit verloren verlangen naar natuur en open ruimte, naar het troostend vermogen van een park, een boom, een zicht. In Vlaamse steden en gemeenten zet deze crisis daarmee de uitdagingen voor een leefbare stadsplanning op scherp. Want zonder investeringen in meer en betere groene ruimte voor iedereen, is wat we dreigen te verliezen onze woonwens in en liefde voor de stad.

De timing van die herontdekte hang naar groen is uiteraard geen toeval. Het coronavirus stelt ook onze mentale gezondheid op de proef. Volgens de laatste enquête van de UA voelt zowat de helft van de Vlamingen zich vaker neerslachtig. Bijna een derde slaapt slecht. Bewegen of tot rust komen in een natuurlijke omgeving zijn beproefde recepten voor een betere emotionele weerbaarheid, maar beleidsmakers reageren verdeeld.

Terwijl De Block beweging en buitenlucht blijft promoten, gingen provinciedomeinen op slot en hekelde Gents burgermeester De Clercq de drukte in zijn parken. Niet helemaal onterecht, want het aanhouden van de aangeraden afstand was in het schaarse stadsgroen soms mathematisch onmogelijk. Te veel gegadigden voor te weinig plaats.

Toch mogen we niet de fout maken het hele idee van stedelijkheid en verdichting overboord te gooien, zo merkten ook bouwmeesters Leo Van Broeck en Kristiaan Borret terecht op (DS 25 maart). Om de stad crisisrobuust te maken, pleitten ze voor een slimme(re) verstedelijking die hand in hand gaat met de aanleg van kwaliteitsvolle publieke buitenruimte en groen. Bereikbaar én genoeg voor iedereen.

Net daar wringt het schoentje in de doorsnee Vlaamse stad. Is het de erfenis van het modernisme en het geloof in de functionele, maakbare stad? Of simpelweg een decennialang gebrek aan ambitie bij het beleid? Feit is dat we vandaag op de grenzen botsen van een traditie van verstedelijking waarin kwalitatief groen nooit bovenaan de prioriteitenlijst gestaan heeft.

Conceptueel heeft onze planning het nochtans wel begrepen. Al in 1997 werden in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen doelstellingen opgenomen voor een voldoende en kwalitatief aanbod van gebruiksgroen in het dichtslibbende Vlaanderen. Met een minimale oppervlakte per inwoner die toeneemt met de woondichtheid: van 10 m²/inwoner in het buitengebied tot 30 m²/inwoner in het grootstedelijk gebied. Vier jaar eerder al specifieerde de langetermijnplanning groenvoorziening op welke afstand van zijn woning de Vlaming verschillende types groen (van groenfragmenten tot een heus stadsbos of natuurdomein) zou moeten vinden. Disclaimer: beide zogeheten groennormen waren niet bindend en zijn bijgevolg weinig of niet gerealiseerd.

Kijken we bij gebrek aan bovenlokale daadkracht naar de lokale besturen, dan zien we dat een stad als Gent, met haar overvolle parken, sinds enkele jaren zowaar een voortrekkersrol opneemt. Voor elke Gentenaar wil men binnen een wandelafstand van 400 meter minstens 10 m² groen garanderen in een park. Geen schaamgroen tussen twee parkeerplaatsen, maar een waardige plek voor de stedeling zonder tuin.

Hoewel minder formeel, stelt de stad Antwerpen een soortgelijk (maar weliswaar minder ambitieus) doel: 4 m² groen per inwoner binnen diezelfde straal. Hoe frappant wordt zo’n streven in tijden van social distancing? 10 m² is ongeveer een veilige coronastraal, met 4 m² wordt je beboet. Applaus voor Gent? Dat zou voorbarig, zijn, want vooral in de binnenstad en in de volkswijken van de negentiende-eeuwse gordel ligt de beschikbare oppervlakte per inwoner nog ver onder de 10 m².

Nóg schrijnender: in Antwerpen halen tien wijken zelfs geen 4 m². Daarbij valt bovendien op dat groene ruimte niet eerlijk verdeeld is over de stad, maar de bestaande socio-economische verschillen nog verder aanscherpt. Wie in de meer gegoede buurten woont, heeft vaak een riante tuin én krijgt daarbovenop het grootste aandeel publiek groen. Inwoners van armere buurten moeten het doen zonder eigen buitenruimte en met een veel kleinere oppervlakte aan stadsgroen in hun directe omgeving.

Nu deze prangende tekorten pijnlijk duidelijk worden, zien we terstond een aantal fantastische initiatieven ontstaan. Een dame in Lievegem biedt haar tuin aan voor stadskinderen zonder groene speelruimte, private boseigenaars stellen hun domeinen open, in Antwerpen klinkt de roep om de werkloze luchthaven in te zetten als een groene vluchthaven voor de buurt en in Berlijn werden autowegen afgesloten ten voordele van fietsers en wandelaars.

Ook daarin schuilt een belangrijke lockdown les. Nu Koning Auto tijdelijk op stal staat, zien we hoe duizenden hectares aan lege autowegen de publieke ruimte bepalen. De conclusie ligt voor de hand: als we erin slagen om onze mobiliteit grondig te herdenken zodat duurzame alternatieven ons autoverkeer drastisch terugdringen, dan doen we ons niet alleen veel schone lucht cadeau, maar creëren we meteen ook die broodnodige ruimte voor vergroening van ons stadsweefsel.

Corona ontwricht, maar schudt ons ook wakker. Van wat gisteren nog normaal leek, zien we vandaag de schaduwkant. Globalisering nam onze zelfredzaamheid af, gulzig gebruik van ruimte onze natuurlijke veerkracht. Laat deze crisis daarom geen reden zijn om de stad op te geven, maar om ze een groene injectie te geven. Om groene ruimte als een noodzaak te erkennen en niet langer als een nice-to-have. Om onze verbondenheid met de natuur serieus te nemen en een stukje nederigheid terug te vinden. En vooral: om ons te herinneren dat de natuur niet bestaat bij gratie van de stad, maar de stad bij gratie van de natuur.

Laure De Vroey is beleidsmedewerker bij BOS+

BOS+ werkt mee aan het internationale project CLEARING HOUSE, dat wil werken aan leefbare steden door meer groen en bomen in de stad. Dit project is gefinancierd door het onderzoeks- en innovatieprogramma Horizon 2020 van de Europese Unie in het kader van subsidieovereenkomst 821242.

« Terug