Voor bosbeheerder

Bosbeheerder

BOS+ informeert, sensibiliseert en activeert bos- en natuurbeheerders rond duurzaam bosbeheer. De krachtlijnen van het duurzame, multifunctionele bosbeheer waar BOS+ voor staat, verspreiden we op verschillende manieren naar zoveel mogelijk mensen en organisaties die, professioneel of vrijwillig, betrokken zijn bij de praktijk van het bos- en natuurbeheer.

Pro Silva

Pro Silva is een Europese beweging die sinds 1989 duurzaam bosbeheer wil aanmoedigen onder beheerders. In Vlaanderen zijn we een werkgroep van BOS+.

Niet alleen de oppervlakte bos, maar ook de inhoud, de kwaliteit van onze bossen is belangrijk. Omdat onze bossen vele functies moeten vervullen, is een oordeelkundige beheer nodig. De ecologische, economische, milieubeschermende en recreatieve waarden moeten minstens behouden worden en mogelijk verhoogd. Om de gedachten te vestigen werden de Pro Silva-principes uitgeschreven. Deze lagen mee aan de basis van de recent goedgekeurde Criteria Duurzaam Bosbeheer. De Pro Silva-principes waren dus al duurzaam avant la lettre.

Pro Silva principes

  1. Bomen moeten oud kunnen worden. Dit betekent dus langere bedrijfstijden of het niet toepassen van dit begrip. Veel oude bomen moeten in ieder geval in het bos behouden worden.
  2. De basis van het bosecosysteem wordt gevormd door inheemse boomsoorten. Uitheemse soorten mogen maar in die mate voorkomen dat ze dit inheemse boslandschap niet fundamenteel in gevaar brengen. Ze mogen dus niet kwalitatief in de meerderheid zijn in een boscomplex met natuurgetrouwe bosbouw.
  3. Het bos moet een gevarieerde structuur hebben. Dit betekent ongelijkvormigheid, ongelijkjarigheid en stams- of groepsgewijze menging. In grotere boscomplexen kunnen al dan niet permanent open plekken voorkomen en kunnen zoom- en mantelvegetaties zich in de bosranden ontwikkelen. Ook struiken en kruiden maken integraal deel uit van het bosecosysteem en verdienen het nodige respect.
  4. Zelfregulerende processen vormen de basis van deze bosbouw. Natuurlijke verjonging moet dus regel zijn. Men moet streven naar een selectie van inheems materiaal dat zeer goed aan de plaatselijke situatie is aangepast. Ook de natuurlijke waterhuishouding mag niet verstoord worden.
  5. Bij de houtwinning moet zo weinig mogelijk schade aangericht worden. Dit kan door het aanduiden van ruimingswegen waar machines niet mogen van afwijken. Of zones kunnen aangeduid worden waarbinnen dergelijk verkeer niet toegelaten wordt. Ook aan de aard van de machines zelf kunnen beperkingen gesteld worden of er kan zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van aangepaste technieken (paarden, lier,...). De boomstammen moeten voor het uitslepen op een bepaalde lengte ingekort worden. De exploitatieperiode moet dermate gekozen worden dat een minimale verstoring van flora en fauna plaatsvindt.
  6. Kleine elementen met een hoge natuurbehoudswaarde moeten behouden worden en zo nodig een aangepast natuurvriendelijk beheer krijgen; bronnen, poelen, venen, vennen, open plekken, rotsformaties, duinen, nesten van zeldzame diersoorten (marter, havik, vleermuizen, enz.) en standplaatsen van zeldzame planten (Zevenster, wolfsklauw, Koningsvaren, enz.).
  7. Kaalslagsystemen veroorzaken een grondige verstoring van het bosmicroklimaat en moeten dan ook vermeden worden. Groepsgewijze of individuele kapping genieten de voorkeur.
  8. Een natuurgetrouw beheerd bos bevat dood hout. Overschot van takhout mag zeker niet verbrand worden. Strooiselroof en sprokkelen komen de gezondheid van het bosecosysteem evenmin ten goede. Ook dikke bomen, rechtstaand of liggend, die occasioneel afgestorven zijn horen in het bos te blijven als leefplaats voor planten en dieren en voor het behoud van een natuurlijke nutriëntencyclus. Alleen bindende fytosanitaire voorschriften (naaldhout, Olmenziekte) of specifiek biotoopbeheer vormen hierop een uitzondering. Het bos moet beheerd worden, niet opgekuist.
  9. Mechanische of biologische bestrijding van ongewenste vegetatie (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, enz...) verdient de voorkeur boven chemische bestrijding. Pesticiden worden in principe vermeden.