Wat is natuur? Eén vraag, ontelbare antwoorden

woensdag 10 mei 2017

Een korte inleiding in 'environmental philosophy'. Stellen dat natuur en natuurbescherming belangrijk is, is een makkelijke zaak. Duiden welke definitie van natuur je hierbij voor ogen hebt, en wat je beschouwt als de bescherming daarvan is aartsmoeilijk.

Auteur: Merijn van den Bosch

In onze poging de natuur te beschermen zijn alle bondgenoten welkom, of het nu gaat om het beschermen van volledige ecosystemen, dan wel om het redden van de laatste exemplaren van een haast uitgestorven diersoort. Natuurbescherming wordt wereldwijd steeds relevanter bevonden, en op ontelbare manieren uitgevoerd: het spreekt voor zich dat het herstellen van een stukje heidegebied in de Kempen iets compleet anders is dan het ontwikkelen van artificieel koraal. Toch vallen beide activiteiten onder de noemer natuurbescherming. Een eenduidige definitie van natuurbescherming is niet voor de hand liggend, en dit leidt tot conflict: sommigen vinden dat eens een gebied beschermde status heeft de mens het zijn gang moet laten gaan, en in sommige gevallen het gebied zelfs beter niet betreden wordt, anderen geloven in de noodzaak van menselijke interventie om het landschap in een bepaalde staat te houden. De ene ziet het strijden tegen GMO’s als onderdeel van natuurbescherming, de ander stelt voor soorten genetisch te manipuleren om hen bestendig te maken tegen klimaatsverandering. Sommige partijen doen er alles aan dierentuinen op slot te gooien en te focussen op het beschermen van dieren in het wild, terwijl anderen dierentuinen een sleutelrol toespelen in het voortbestaan van bepaalde diersoorten.

Dit artikel is een korte introductie tot ‘environmental philosophy’ (vanaf hier vrij vertaald als ‘natuurfilosofie’, al is deze term in feite al bezet door de oudste Griekse filosofen).
Filosofen besteden doorgaans heel wat tijd aan het doorspitten van de betekenis van bepaalde termen en concepten. In de natuurfilosofie gaat het zodoende vaak over de concepten ‘natuur’ en ‘natuurbescherming’. Door meer na te denken over de inhoud van deze brede termen kunnen betrokken individuen en organisaties aangezet worden tot reflectie over waar zij voor staan: moeten we onze impact op de aarde verminderen door ‘bijendrones’ te creëren ter compensatie van de afname in bestuivende insecten, of vergroot dit onze impact net door eens temeer in te grijpen in de natuurlijke gang van zaken? Is het aangewezen om zeldzame wilde dieren, bijvoorbeeld witte neushoorns, kunstmatig te insemineren, of maakt dit de natuur net minder natuurlijk? Moeten mensen geweerd worden van sommige stukken beschermd gebied, of is de mens intrinsiek deel van de natuur wiens aanwezigheid, onder voorwaarden, altijd toegestaan moet worden?

Stellen dat natuur en natuurbescherming belangrijk is, is een makkelijke zaak. Duiden welke definitie van natuur je hierbij voor ogen hebt, en wat je beschouwt als de bescherming daarvan is aartsmoeilijk. Iedereen weet wel min of meer wat we met natuur bedoelen, maar er zijn vele nuanceverschillen in onze definities die in de praktijk grote gevolgen hebben.  

Het vraagstuk van de heide

In een aantal Europese landen worden tegenwoordig pogingen gedaan landschappen terug te brengen naar hun ‘oorspronkelijke’ staat. In de Lage Landen komt dit vaak neer op het restaureren van heidegebied. Maar is het wel correct om te stellen dat heidegebied in onze contreien de oorspronkelijke natuur is? Ontstond het meeste heidegebied niet net als gevolg van boskap, bedoeld om aan landbouw te kunnen doen? Zo ja, dan is heidelandschap per definitie geen ‘oorspronkelijke natuur’. Tenminste, als men oorspronkelijke natuur beschouwt als de natuur zoals zij was voor het grootschalig ingrijpen van de mens.

Velen zouden, terecht, opmerken dat plaats maken voor zowel bosgebied als heidegebied de lokale biodiversiteit ten goede komt. De vraag is, willen we wel een hogere biodiversiteit als die tot stand is gekomen door ingrijpen  van de mens, en niet door afwezigheid van menselijke activiteit? Moeten we niet voorkomen dat de mens ‘architect van de natuur’ wordt, die op artificiële wijze een patroon creëert van landschappen dat de hoogst mogelijke biodiversiteit oplevert. Zo ja, Moeten we de natuur dan volledig zijn gang laten gaan, en mogelijk al het heidegebied laten opgeslokt worden door natuurlijke successie? Moeten we heidelandschap, en de daarvan afhankelijke organismen laten stikken omdat er zonder menselijke inmenging in de natuur geen uitgebreid heidelandschap zou zijn?

Menselijke impact op de natuur: waar trekken we de lijn?

Zelfs als iedereen zou erkennen dat het belangrijk is om onze impact op de natuur terug te dringen, dan stelt zich het probleem hoe ver we hierin zouden moeten gaan. Proberen we enkel dramatische veranderingen in de natuur, op grote schaal en op korte termijn sinds de industriële revolutie, om te draaien door de natuur meer ruimte te geven?

Of moeten we verder terug, en moet de natuur hersteld worden tot de staat waarin het was toen de mens nog niet grootschalig aan landbouw deed, waarbij we misschien dus ook, onder andere, het heidegebied als habitat opgeven? Het lijkt erop dat sommigen de tijd nog verder terug willen draaien: aan verschillende universiteiten is men druk bezig met het voorbereiden van allerhande ‘de-extinctie projecten'. Men hoopt verschillende diersoorten, van de dodo tot de sabeltandtijger, terug in het leven te roepen. Deze projecten zouden de ultieme belichaming zijn van het tenietdoen van onze impact op de natuur. Maar hoe wenselijk zijn deze praktijken?

Dit zijn  enkele van de vele moeilijke vragen die uitgepluisd worden binnen de natuurfilosofie. Het gaat om vraagstukken die complex zijn, en meestal geen eenduidig antwoord hebben. Desalniettemin, bepalen de antwoorden op zulke vragen de manier waarop de mens aan natuurbescherming doet, en misschien dus ook hoe de planeet er in de toekomst uitziet.

Leestips

  • Brennan, Andrew – Lo, Yeuk-Sze, “Environmental Ethics”, in: Stanford Encyclopedia of  Philosophy, Edward N. Zalta (ed.), http://plato.stanford.edu/archives/fall2011/entries/ethics-environmental (consulted December 2014).
  • Jamieson, D. (ed.) , A Companion to Environmental Philosophy, Oxford: Blackwell Publishing, 2001, 531 p.
  • Callicott, J.B and Nelson, M.P., The Great New Wilderness Debate. Georgia: University of Georgia Press, 1998, 697 p.

 

« Terug