Boslandbouw is een beest met vele gedaanten

vrijdag 10 maart 2017

Agroforestry of boslandbouw is het combineren van bosbouw en landbouw op hetzelfde perceel, dat schreven we al in een vorig artikel. Boslandbouw kan op veel manieren gebeuren, maar in Vlaanderen zijn er vooral twee vormen van belang, die leggen we nu verder uit. 

Bomen + gewas

Bomen combineren met een eenjarig of meerjarig gewas heeft vele voordelen. Mits een slimme combinatie (vb. bomen met lichtdoorlatende kruinen in een lage dichtheid en de teelt van wintergranen, die al een groot deel van hun groei gerealiseerd hebben voordat de bomen in blad komen) en een goed beheer (begeleidingssnoei om rechte stammen te krijgen), kan een perceel agroforestry een hogere biomassa produceren dan een perceel met enkel bomen (bos) of enkel landbouwgewas (reguliere akker) (Graves et al., 2007; Talbot, 2011).

We weten nog niet of boslandbouw ook een financiële meerwaarde oplevert voor de landbouwer. Bomen die nu worden aangeplant zullen ten vroegste binnen twintig jaar (vb. voor populieren) of nog veel langer (vb. voor eiken) kwaliteitshout opleveren. Momenteel is de prijs voor kwaliteitshout in Vlaanderen te laag. We weten niet of de prijzen voor kwaliteitshout in Vlaanderen dan hoger zullen zijn dan nu het geval is. Door fruit- of notenbomen te gebruiken, krijgt de boer ook een opbrengst op veel kortere termijn, een notelaar begint, bij goede groeiomstandigheden, na 10 jaar al noten te produceren (10 kg/jaar).

Door een agroforestrysysteem aan te leggen, bouwen de boeren eigenlijk een natuurlijk kapitaal op in de vorm van (kwaliteits)hout. Dit kapitaal kan later voor een aanvulling zorgen op hun pensioen. Door bomen aan te planten op een landbouwbedrijf wordt er ook aan productdiversificatie gedaan (noten-, fruit- en houtproductie): de boer legt zijn eieren niet allemaal meer in één mandje. In het licht van de vele landbouwcrisissen de we de laatste jaren hebben gehad én de klimaatverandering die in de toekomst hard zal toeslaan, is dat een goede strategie: als de melkprijs nog maar eens ineenstuikt, kan een boer die zijn koeien laat grazen in een weide met hoogstamfruitbomen nog terugvallen op fruitproductie.

Bomen zorgen ook voor een betere bodem: door het vallen van de bladeren en door stoffen die de wortels uitscheiden, stijgt het gehalte aan organisch materiaal (Bambrick et al., 2010; Wotherspoon et al., 2013). Deze stijging zorgt ervoor dat de bodem vruchtbaarder wordt. Daardoor en dankzij de wortels vermindert op hellende percelen ook de kans op bodemerosie.
Door bomen aan te planten op akkers, kan de nood aan chemische bestrijdingsmiddelen tegen plaaginsecten dalen. De bomen en onderliggende (gras)stroken bieden een habitat voor natuurlijke plaagbestrijders. Ook bestuivers zoals bijen kunnen meegenieten van de bomen. Ook voor tal van vogels en kleine zoogdieren kunnen bomen in het landbouwgebied voor een aanvulling van hun leefgebied en voedsel zorgen.

Het is uiteraard niet allemaal rozengeur en maneschijn. Het landbouwgewas en de bomen concurreren met elkaar voor vocht en nutriënten. Door de landbouwbewerking (ploegen, eggen, frezen) zullen de wortels van de bomen echter wel verplicht worden om dieper te gaan wortelen, door een goede boomsoortenkeuze (sommige bomen wortelen dieper dan andere) kan je dit probleem ook gedeeltelijk opvangen. De bomen breken ook de wind, wat dan weer voor minder uitdroging zorgt.

De bomen werpen ook een schaduw op de gewassen, deze neemt toe als ze ouder worden. Dit probleem kan je deels opvangen door te kiezen voor een lage dichtheid, lichtdoorlatende loofbomen, de bomenrijen volgens de noord-zuidrichting te leggen en de bomen te snoeien (wat ook nodig is voor de doorgang van landbouwmachines maar later ook de houtkwaliteit ten goede zal komen).

Bomen + vee

Op een hete zomerdag zie je vaak koeien en paarden dicht samentroepen onder een enkele boom, als ze geluk hebben dat die er staat in hun wei. Op dergelijke dagen hebben dieren dus echt wel baat bij schaduwbomen. Ook tegen hevige regenval kunnen bomen bescherming bieden. Voor de opkomst van laagstamfruitboomgaarden en voor de intensivering van de landbouw kwamen hoogstamboomgaarden met daaronder grazend vee overal voor in Vlaanderen. Alle voordelen die te maken hebben met de hout- en vruchtenproductie die we hierboven gaven, gaan ook op voor bomen in weides.

Door de meer natuurlijke omgeving zullen de dieren veel minder stress hebben. Kippen bijvoorbeeld, niet toevallig bosdieren in oorsprong, zullen zich veel meer verspreiden in percelen met bomen. Hierdoor worden ook de uitwerpselen meer verspreid en zorgen ze voor minder puntvervuiling. Minder gestresseerde dieren hebben een betere weerstand en bewegen meer.

Ook als voedingsbron hebben bomen een grote meerwaarde. De bladeren zijn namelijk een uitstekende aanvulling op hun dieet. Het is een bron van eiwitten, die vooral voor koeien belangrijk zijn. Verder bevatten bladeren ook mineralen en sporenelementen zoals selenium en koper. De aanwezige stoffen zijn afhankelijk van de boomsoort, het seizoen en de grondsoort. Voor vb. varkens en herten kunnen ook eikels, kastanjes en noten een goed aanvulling zijn.

Maar er is een keerzijde: bladeren bevatten ook secundaire stoffen, zoals looistoffen. Die worden aangemaakt met als doel om minder aantrekkelijk te zijn voor dieren en insecten. In grote hoeveelheden zijn ze toxisch. Kleine aantallen hebben echter een positieve werking, ze stimuleren de eiwitvertering en werken ontstekingsremmend. Verder zijn paarden vb. zeer gevoelig voor de vruchten van esdoorns (de helikoptertjes). Het aanplanten van esdoorns in paardenweides is dus geen goed plan. In weilanden speelt het minder maar net als in akkers is de concurrentie voor licht, vocht en nutriënten een issue. De grasproductie mag niet te veel dalen want anders is er te weinig voedsel voor het vee. Een goede planning en boomsoortenkeuze is dus cruciaal.

Een belangrijk aandachtspunt bij het aanplanten van bomen in graasweides is bescherming tegen vraat en schuren door vee. Zonder bescherming zullen de bomen het niet halen. De bescherming (drie palen met daarrond een raster met eventueel prikkeldraad in verwerkt) tegen koeien en paarden moet al snel 2 m hoog zijn, tegen schapen en geiten volstaat 1,5 m. Zelfs tegen kippen is het aan te raden om een bescherming te voorzien.

Naast deze vormen van agroforestry bestaan er ook nog andere vormen. Zo worden de twee beschreven vormen soms gecombineerd en krijg je dus bomen, vee en landbouwgewassen op één perceel. Ook het aanplanten van houtkanten of (knot)bomenrijen op de grens van landbouwpercelen kan je beschouwen als een vorm van agroforestry. Het inbrengen van vee of landbouwgewassen in bestaande bossen bestaat al in het buitenland. Bij ons was het lang geleden ook de gewoonte om varkens in de bossen eikels te laten zoeken. Door de nu al hoge druk op onze schaarse Vlaamse bossen, is dit echter in Vlaamse context niet (meer) wenselijk. Vooral in de tropen bestaan er zeer veel verschillende landgebruikssystemen waarbij bomen gecombineerd worden met andere gewassen of dieren.

Sinds de mogelijkheid om een subsidie te ontvangen (2011), zijn al enkele tientallen Vlaamse boeren begonnen met agroforestry, sindsdien is de oppervlakte gestegen met een 100-tal hectare. Dit is niet niets maar op een totaal landbouwareaal van ongeveer 650.000 hectare is dat toch eerder nog een druppel op een hete plaat. Er is dus nog werk aan de winkel om agroforestry verder (opnieuw) ingang te laten vinden in de Vlaamse landbouw.

Meer weten:

« Terug