Hoe bomen ons kalmeren

vrijdag 14 augustus 2015 15:10

Een nieuwe studie wijst uit dat wanneer er 10 bomen bijkomen in een straat, de buurtbewoners zich 1% gezonder voelen.

Een nieuwe studie wijst uit dat wanneer er 10 bomen bijkomen in een straat, de buurtbewoners zich 1% gezonder voelen.

In 1984 stelde onderzoeker Roger Ulrich een eigenaardig patroon vast bij patiënten die herstelden van een operatie aan de galblaas in een voorstedelijk ziekenhuis in Pennsylvania. Zij die in een kamer lagen die uitkeek op een klein groepje loofbomen werden gemiddeld bijna een dag vroeger ontslagen uit het ziekenhuis dan de patiënten in identieke kamers waar het raam uitkeek op een muur. De resultaten leken tegelijkertijd vanzelfsprekend – natuurlijk is een bladerdak meer therapeutisch dan saaie bakstenen – en raadselachtig. Welke genezende eigenschappen de bomen ook hadden, hoe stuurden ze die door een glazen ruit?

Dat is het raadsel dat behandeld wordt in een nieuwe studie in het tijdschrift Scientific Reports door een onderzoeksteam in de Verenigde Staten, Canada en Australië, geleid door de psychologieprofessor van de Universiteit van Chicago, Marc Berman. De studie vergelijkt twee grote data sets van de stad Toronto, beide verzameld op het niveau van straten; de eerste set meet de verdeling van groene ruimte, door gebruik te maken van satellietbeelden en een omvattende lijst van alle 530.000 bomen die gepland werden in de publieke ruimte, en de tweede meet gezondheid, geëvalueerd door een gedetailleerde enquête bij 94.000 respondenten. Na een correctie op inkomen, opleiding en leeftijd, toonden Berman en zijn collega's aan dat wanneer er 10 bomen bijkomen in een straat, de buurtbewoners zich 1% gezonder voelen. "Om een gelijkwaardige verhoging te krijgen door middel van geld, zou je elk huishouden in die buurt 10.000 dollar moeten geven of mensen 7 jaar jonger moeten maken", aldus Berman.

Zijn zulke cijfers van de pot gerukt? De essenprachtkever die honderd miljoen bomen gedood heeft in Noord-Amerika de laatste jaren, biedt een jammerlijk natuurlijk experiment. Een provinciale analyse van de gezondheidscijfers door de U.S. Forest Service, tussen 1990 en 2007, toonde dat sterfgevallen door cardiovasculaire en ademhalingsziekten stegen op plaatsen waar bomen bezweken onder de pest, goed voor meer dan 20.000 bijkomende sterfgevallen tijdens de studieperiode. De data uit Toronto tonen een gelijkaardige link aan tussen de aanwezigheid van bomen en cardio-metabolische aandoeningen, zoals hartziekten, beroertes en diabetes. Voor de mensen die lijden aan deze aandoeningen zouden 11 bijkomende bomen per straat overeenkomen met een inkomensstijging van 20.000 dollar of bijna 1,5 jaar jonger zijn.

Wat interessant is aan deze cijfers, is subtieler. De gezondheidsvoordelen komen bijna volledig voort uit bomen die geplant worden langs wegen en in voortuinen, waar veel mensen langs wandelen; bomen in achtertuinen en parken lijken weinig impact te hebben in de analyse. Het zou kunnen dat laanbomen een grotere impact hebben op de luchtkwaliteit op voetpaden, of dat groene lanen mensen aansporen om meer te wandelen. Maar Berman is ook geïnteresseerd in de mogelijkheid dat teruggrijpt naar Ulrichs bevindingen over ziekenhuisramen: misschien is het genoeg om simpelweg naar een boom te kijken.

Directe en indirecte aandacht

Aan het eind van de 19de eeuw stelde William James, een baanbrekende psycholoog en filosoof, voor om een onderscheid te maken tussen "vrijwillige" en "niet-vrijwillige" aandacht. Wanneer je een druk kruispunt oversteekt of je verdiept in een spreadsheet, put je uit eindige reserves van vrijwillige, gerichte aandacht. Het tegengif is niet, zoals je misschien zou denken, rustig in een donkere kamer zitten. "De omgeving moet een stimulans zijn om je onvrijwillige aandacht, je betovering te activeren", zegt Berman. Stedelijke omgevingen kunnen zeker ook onvrijwillige aandacht uitlokken (toeterende wagens op Times Square), maar dat doen ze op een brute, gebiedende manier waarbij je de vrijwillige aandacht moet overrulen. Natuurlijke omgevingen daarentegen verzorgen wat Berman noemt "zachtjes fascinerende stimulatie". Je oog valt op de vorm van een tak, een rimpeling in het water; je geest volgt.

Als doctoraatsstudent aan de Universiteit van Michigan tien jaar geleden, leidde Berman een studie waarin hij vrijwilligers op pad stuurde voor een wandeling van 50 minuten, ofwel in een arboretum ofwel door de straten van de stad, daarna gaf hij zijn proefpersonen een cognitieve evaluatie. Zij die in de natuur hadden gewandeld verrichtten de taak zo'n 20% beter dan hun tegenhangers als het ging over geheugen- en aandachtsproeven. Ze hadden ook de neiging om beter gezind te zijn, hoewel dat hun scores niet beïnvloedde. "Wat we ondervinden is dat je de interactie met de natuur niet leuk moet vinden om er de voordelen van te ondervinden", zegt Berman. Sommige wandelingen vonden plaats in juni, andere in januari; de meeste mensen genoten er niet echt van om door de strenge Michigan winter te sjokken, maar hun scoren verbeterden even veel als die van de zomerse experimenten. Het is niet verrassend dat de personen van wie de directe aandacht het meest uitgeput is, de grootste voordelen ondervinden: een natuurlijk uitje aan het einde van de werkdag heft een groter herstellend effect dan wanneer je dat doet als eerste ding 's ochtends, en de boost is vijf keer groter voor mensen bij wie klinische depressie is vastgesteld.

'Pure' kleuren

Je kan een afgezwakte versie van hetzelfde effect voortbrengen door gewoon uit het raam te kijken, of (voor experimenteel gemak) naar een beeld van een natuurlijke tafereel. De laatste jaren hebben Berman en zijn collega's ingezoomd op de "low-level" visuele karakteristieken die natuurlijke omgevingen onderscheiden van stedelijke. Om dit te doen splitsten ze beelden op in hun visuele componenten: de verhouding tussen rechte en kromme lijnen, de schakeringen en verzadiging van de kleuren, de entropie (een statistische meeteenheid van toeval in pixel intensiteit), enzoverder. Het uitzicht van een arboretum heeft bijvoorbeeld de neiging een hogere kleurverzadiging te hebben dan de hoek van een straat, wat erop wijst dat "de kleuren in de natuur een meer 'pure' versie zijn van deze kleuren", zegt Berman. Zelfs wanneer beelden door elkaar gegooid zijn zodat er geen herkenbare eigenschappen meer zijn, zoals bomen of wolkenkrabbers, om te verbergen wat ze voorstellen, voorspellen hun low-level visuele eigenschappen nog steeds hoe sterk mensen ervan zullen houden.

Het is interessant om te bedenken dat dergelijk onderzoek het beleid kan beïnvloeden. Ulrichs werk heeft al "een directe impact gehad op het ontwerp van vele miljarden dollars aan ziekenhuisconstructies", zo bericht een vakblad uit de gezondheidszorg. Misschien zullen we onze steden anders opvatten en in de richting gaan van rijker getinte straatbeelden en gebouwen met gefragmenteerde patronen de appelleren aan onze natuur-hongerige zielen. Bermans doel daarentegen is nuchterder: hij hoopt dat we meer bomen zullen planten. Zijn resultaten tonen aan dat er een duidelijke en consistente hiërarchie is. Een wandeling in het bos troeft een beeld van een boom af, wat op zijn beurt een abstract beeld aftroeft, maakt niet uit hoe rustgevend dat beeld is. Iets diep in ons reageert op de driedimensionale geometrie van de natuur, en dat is waar gelijkwaardige economische argumenten te kort schieten, hoe goedbedoeld ze ook zijn.

Wanneer iemand je 10.000 dollar aanbiedt of 10 bomen, neem dan de bomen.

Illustratie door Tim Lahan. Originele tekst door The New Yorker

« Terug