ComBOStela, part 2

donderdag 25 juli 2013 12:34

Vrijdagavond 28 juni. Moe maar tevreden, en ook wel wat ontroerd, fiets ik het ronduit prachtige plein voor de kathedraal van Santiago de Compostela op, waar Sint-Jakob vanuit een nis de pelgrims begroet. 16 dagen fietsplezier en 1 pechdag hebben me tot hier gebracht, en het is een fabuleus mooie trip geweest, vol prachtige steden en dorpen, interessante ontmoetingen en – bovenal - schitterende natuur.

ComBOStela

Vrijdagavond 28 juni. Moe maar tevreden, en ook wel wat ontroerd, fiets ik het ronduit prachtige plein voor de kathedraal van Santiago de Compostela op, waar Sint-Jakob vanuit een nis de pelgrims begroet. 16 dagen fietsplezier en 1 pechdag hebben me tot hier gebracht, en het is een fabuleus mooie trip geweest, vol prachtige steden en dorpen, interessante ontmoetingen en – bovenal - schitterende natuur.

Nadat het water van de overstroming die me in Dax een dagje tot stilstand had gebracht, was weggezakt, kon ik de Landes achter mij laten en over de grootste bult van de route, de Col de Somport in de Pyreneeën, Spanje binnenfietsen. De wetenschap dat deze tocht bovendien al 2.229,9€ had opgeleverd, gaf me ongelooflijk veel energie tijdens die beklimming. Ik ben er alle gulle schenkers bijzonder dankbaar voor, en op dit moment worden de concrete afspraken gemaakt om deze mooie som op een goede manier te besteden. U leest er hier binnenkort meer over, maar kan natuurlijk ook nog altijd uw steun geven aan ComBOStela.

De Landes

Met de fiets de Landes doorkruisen geeft een speciaal gevoel. Op de kilometerslange kaarsrechte wegeltjes door hét dennenbos van West-Europa kan je urenlang fietsen zonder iemand te zien, met alleen de geur van de hier massaal aangeplante zeedennen als gezelschap. Net als in onze Kempen was ook dit gebied in vroegere eeuwen door overbegrazing zeer onvruchtbaar geworden. En net als bij ons heeft men indertijd op deze arme zandgronden massaal bebossingen uitgevoerd om het schrale en erg arme heidegebied opnieuw een economische boost te geven. De streekeigen soort Zeeden (Pinus pinaster) werd hier over een oppervlakte van maar liefst 1 miljoen hectare aangeplant.

Eeuwen geleden was het voor de Compostelagangers dus een heel ander landschap dat ze doorkruisten dan de huidige dennenbossen. Voor hen moet het een bijzonder hachelijke onderneming geweest zijn om dit gebied te betreden, getuige de namen van dorpjes als Tireveste, Tiregilet en Tireculotte (vrij vertaald als “trek hier uw jas, uw vest en uw broek maar uit”, waarmee men doelde op de toen blijkbaar zeer gewone praktijk van het beroven van de pelgrims).

Vandaag wordt dit gebied door sommigen de grootste houtakker van West-Europa genoemd, en daar valt zeker iets voor te zeggen. De vorm van bosbeheer die je hier aantreft, met kaalkappen die meerdere tientallen of zelfs – schat ik – honderden hectare beslaan, is eigenlijk niet meer van deze tijd. Want al bevind ik me dan in één van grootste bosgebieden die Europa rijk is, deze regio (en zijn natuur) zouden echt wel gebaat zijn bij meer soortendiversiteit en meer landschappelijke verscheidenheid. Doordat deze vorm van monofunctionele bosbouw (gericht op de productie van laagwaardige hout) hier ook economisch enorm aan belang verloren heeft, zie je meer en meer andere vormen van landgebruik verschijnen in het landschap, zoals grootschalige irrigatielandbouw of terreinen met zonnepanelen. Tijd om het over een andere, meer biodiverse boeg te gooien?

De Quebrantahuesos (Beenbreker)

Nadat ik even in Dax ben opgehouden door overstromingen op de route, kan ik eindelijk de laatste etappe in Frankrijk aanvatten: de beklimming van het dak van mijn route, de Col de Somport (1640m). Het leidt me naar het hart van één van de grootste en mooiste natuurgebieden van Frankrijk, le Parc National des Pyrénées. Maar liefst 45.000 hectare topnatuur in het Europese hooggebergte, met als meest spectaculaire bewoner natuurlijk onze Bruine Beer. Die ik – helaas of gelukkig – natuurlijk niet ben tegengekomen. Wie ik wel tegenkom, zijn duizenden wielertoeristen. Net vandaag, 22 juni, gaat de Quebrantahuesos hier door, het grootste wielertoeristenevenement van Spanje. Quebrantahuesos betekent letterlijk “beenbreker”, en lijkt dus wel een erg cynisch gekozen naam voor een dergelijk evenement. Het is echter ook de Spaanse naam voor de Gypaetus barbatus, de lammergier. Deze zeldzame vogel ontleent zijn naam aan het feit dat hij de beenderen van de dieren waarmee hij zich voedt, vanop grote hoogte laat vallen, opdat deze breken en hij de stukken en het merg kan opeten.

7.500 wielerfanaten wagen zich vandaag aan 200 km Pyrenese bergcols, en komen me op mijn route in tegengestelde richting tegemoet. De dichte drommen fietsers verplichten me om de weg vrij te maken, en een drietal uur voet aan de grond te zetten. Ik laat het graag gebeuren, en geniet van de snelheid, de mooie fietsen en het schelle (en niet altijd even beleefde :-)) Spaans waarmee de passerende fietsers met elkaar converseren in de afdaling. Eens de rust teruggekeerd is op de berg, geef ik me opnieuw over aan mijn eigen klimwerk richting top. Al snel bekruipt me echter een groot gevoel van plaatsvervangende schaamte. Letterlijk iedere meter ligt bezaaid met weggegooide verpakkingen van energierepen en –gels. En dat middenin één van de mooiste nationale parken van Europa. Een echte schande, anders kan je dit niet noemen. Ik vind het echt onbegrijpelijk dat de fietsersgemeenschap op een dergelijke onzorgvuldige en respectloze manier omgaat met de landschappen waar ze doorheen fietst. Shame on us.

Toegegeven, de organisatie van dit evenement zet opruimteams in, en op hun website wordt – in de kleine lettertjes van het reglement - dit soort gedrag expliciet verboden. Maar die kuisploegen kunnen niet alles zien, en sowieso zou je als fietser toch zelf het besef en het respect voor je omgeving moeten hebben om die verpakkingen bij je te houden. Zo erg als hier op de flanken van de Pyreneeën had ik het overigens nog niet meegemaakt, maar uiteraard zie je dit gedrag ook maar al te vaak in Vlaanderen. Ik neem me voor om niet alleen contact op te nemen met de organisatoren van de Quebrantahuesos – for what it’s worth -, maar ook om in Vlaanderen met BOS+ initiatieven te nemen opdat fietsers zich op een duurzamere manier gaan gedragen in de natuur en de bossen waar ze gebruik van maken.

España en de traditie van de Compostelaroute

Col de Somport, 1640m. Ik sta op het hoogste punt van de route, en Spanje strekt zich voor me uit. Nog een dikke 900 km tot mijn eindbestemming. Ongelooflijk maar waar, voor het eerst is ook de zon echt doorgebroken. Ze zal me voor de rest van de reis niet meer verlaten. En zelfs de wind draait en blaast nu in mijn voordeel. Genietend van al deze gemakken, én van de vele roofvogels boven mijn hoofd daal ik rustig de regio Aragón binnen. Ik zal hier in Centraal-Spanje de echte cultuurhistorische waarde van de Compostelaroute leren kennen – de steden en dorpen op de route worden gekenmerkt door heel wat erfgoed, kerken, pelgrimsbruggen, albergues, … die verband houden met de oude tradities van deze pelgrimstocht. Mijn reisgids leert me dat in de Middeleeuwen ongeveer 10% van alle mannelijke West Europeanen ooit naar Compostela trok. Ongelooflijk. De vele honderden pelgrims die ik hier in de Spanje te voet of met de fiets tegenkom, bewijzen echter dat de traditie ook vandaag nog springlevend is. De motivatie van de deelnemers is zeer uiteenlopend, sommigen doen het uit devotie of spirituele overwegingen, andere voor het gezelschap of omwille van de sportieve inspanning. Ook de diversiteit aan nationaliteiten is enorm, én als pelgrim betrap je je erop dat je ook op “de oorsprong” van de pelgrimstocht let. Je ziet duidelijk het onderscheid tussen die wandelaars en fietsers die al een heel of een half continent doorkruist hebben met de wandelaars en fietsers die de tocht pas vanuit de steden Logroño, Burgos of Leon aanvatten. De elektrische fiets doet zijn intrede op de route. Helemaal grappig zijn natuurlijk die “pelgrims” die zich in Compostela zelf in een toeristenwinkeltje een pelgrimstaf kopen, en daar dan wat staan drentelen op het plein voor de kathedraal. Je haalt ze er zo uit.

Maar dat is voor later. Nu moet er eerst nog flink gefietst worden. Aragón, Navarra, La Rioja, Castilla y León, en ten slotte, Santiago de Compostela, wachten op me.

Droger dan droogst

Het centrum van Spanje voelt droger dan droogst aan. Voor mij een welkome verademing na al die regen in Frankrijk, maar voor de vegetatie is het hier knokken geblazen. De groene landschappen ten noordoosten van de Pyreneeën hebben plaats gemaakt voor een veel desolatere omgeving. Mijn tocht leidt me langs prachtsteden als Logroño, Burgos en Leon. Het zijn echter ook streken waar de jaarlijkse neerslag in het beste geval nét 500 mm haalt, en soms nog veel minder. Gecombineerd met eeuwen van overbegrazing leidt dit tot een erg schraal, soms verregaand geërodeerd landschap dat zich ook in de bosvegetaties duidelijk laat opmerken. De schaarse bossen die je aantreft worden gedomineerd door traaggroeiende, laagblijvende eikensoorten als de Steeneik (Quercus ilex), de Pyreneeëneik (Quercus Pyrenaica) en de Portugese eik (Quercus faginea). Toch valt het op dat, wanneer je die bossen binnenrijdt, het er aangenaam koeler wordt. Niet alleen de schaduw zorgt voor dat verkoelend effect, ook het feit dat bomen massa’s water uit de grond halen en dat via de verdamping door hun bladeren in de lucht brengen, zorgt voor een aangename koelte. Tegenover een stedelijke omgeving kan de temperatuur in bossen wel 6 tot 8°C lager liggen. Cool!

Cañada dry

Opmerkelijk zijn ook de cañada’s of vias pecuarias, die je hier en daar op de Compostelaroute doorkruist. Het zijn stroken met aloude gebruiksrechten die heel Spanje doorkruisten, waarop de transhumances, de grote, vaak seizoensgebonden migraties met het vee van graasgebied naar graasgebied reisden. Vandaag is de praktijk grotendeels in onbruik geraakt, en probeert men vanuit het natuurbeheer hier en daar de typische cañadavegetaties in ere te herstellen.

Groen en geurig Galicia

De laatste grote klim op de route is de Cruz de Ferro (het IJzeren Kruis). Vlakbij de top vind je dat IJzeren Kruis, omgeven door een enorme hoop stenen; door op deze plek een steen bij te leggen zouden de pelgrims er al eeuwenlang hun “zonden achterlaten” en zodoende “verlicht” Santiago kunnen bereiken. Ook ik draag natuurlijk mijn steentje bij om de hoop te vergroten.

En dan fiets ik Galicia binnen. Na zoveel droge landschappen doet het deugd om weer tussen het groen terecht te komen. Je voelt dat het klimaat hier een stuk maritiemer wordt, de vegetatie krijgt hier duidelijk een pak meer neerslag. Vreemd genoeg is Galicia, ondanks die behoorlijk overvloedige neerslag, ook de streek waar het meeste bosbranden voorkomen in heel Spanje: de helft van alle bosbranden in Spanje woedt in Galicia, gemiddeld zo een 12.000/jaar. Vaak worden daarvoor de hier vaak voorkomende Eucalyptusbossen als boosdoener aangewezen, maar dat klopt niet helemaal. Eerst en vooral omdat de Eucalyptus niet de meest voorkomende boomsoort in Galicia. Hij wordt nog voorafgegaan door de hier inheemse Zeeden (Pinus pinaster) en de Zomereik (Quercus robur), en ook in die bossen brandt het regelmatig. De Eucalyptus werd hier overigens al in 1860 geïntroduceerd door een Spaanse missionaris bij zijn terugkeer uit Australië, en is de voorbije decennia, onder invloed van een aantal grote papierfabrikanten, massaal aangeplant in Noord-West-Spanje. Door zijn snelle groei en zijn bijzonder slecht afbrekende bladeren, die een dik tapijt op de bosbodem veroorzaken, verdringt hij zowel andere boomsoorten als heel veel plantensoorten. Wereldwijd is de boomsoort stilaan erg polemisch geworden, ook zo hier in Galicia.

Maar al is deze geurige boom door zijn hoge oliegehalte en het dikke bladertapijt aan zijn voeten bijzonder brandgevoelig, het zijn natuurlijk niet de bomen maar (in de meeste gevallen) wel de mensen die bosbranden veroorzaken. Galicia is een zeer bosrijke regio, waar het bosbezit en de bewoning echter zeer versnipperd is. Heel veel bosbranden worden er moedwillig aangestoken, voornamelijk om graasweiden voor het vee te bekomen, om vetes en burenruzies uit te vechten of uit speculatieve overwegingen. De economische, menselijke en milieuschade van deze branden is enorm, en voor de buitenstaander is het echt onbegrijpelijk dat de Galiciërs zichzelf dit blijven aandoen. Ik zal Sint-Jakob om een antwoord vragen, want ja, daar in de verte doemt Santiago de Compostela voor me op.

Het is een mooie mooie mooie trip geweest, boordevol mooie ontmoetingen en prachtige bossen. Bedankt aan iedereen die me gesteund heeft op deze trip voor meer en beter bos.

Bert

« Terug